|
Hoofdstuk 1
Afstamming en plaats van herkomst
[1] Het boek van de woorden van Tobit, de zoon van Tobiël, de zoon van Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, uit de familie van Asiël, uit de stam van Naftali, [2] die onder de regering van Enemessar, de koning van Assur, in ballingschap werd weggevoerd uit Tisbe, gelegen ten zuiden van Kedes in Naftali in Galilea, en ten noorden van Aser.
Tobit wordt vervolgd
[3] Ik, Tobit, heb heel mijn leven de weg van waarheid en gerechtigheid bewandeld; ik heb veel aalmoezen gegeven aan mijn broeders en aan het volk dat met mij naar Nineve in Assur getrokken was. [4] In mijn jeugd, toen ik nog in Israël, mijn vaderland, woonde, had heel de stam van mijn voorvader Naftali zich afgescheiden van het heiligdom in Jeruzalem, de stad die uit alle stammen van Israël was uitverkoren als de plaats waar zij allen moesten offeren, en waar de tempel stond, die gewijd was tot woning van de Allerhoogste, en gebouwd voor alle generaties, tot in eeuwigheid. [5] Alle afvallige stammen offerden aan het stierkalf van Baäl, ook de hele familie van mijn voorvader Naftali. [6] Alleen ik trok met de feestdagen dikwijls naar Jeruzalem, zoals het uit de kracht van een eeuwig gebod aan heel Israël is voorgeschreven, met de eerstelingen en tienden* van het veldgewas en de eerste schapenwol. [7] Die gaf ik aan de priesters, de zonen van Aäron, die bij het altaar dienst deden. Aan de Levieten die in Jeruzalem werkzaam waren gaf ik een tiende. Een tweede tiende verkocht ik en daarvan deed ik mijn jaarlijkse inkopen in Jeruzalem. [8] Een derde tiende gaf ik aan degenen die er recht op hadden, zoals Debora, de moeder van mijn vader, het mij had ingeprent. Ik was namelijk na de dood van mijn vader als wees achtergebleven. [9] Eenmaal volwassen, trouwde ik met Anna, uit onze eigen familie. Bij haar kreeg ik Tobias. [10] Toen ik weggevoerd was naar Nineve, aten* al mijn stam- en volksgenoten het voedsel van de heidenen. [11] Maar ik zorgde ervoor dat niet te doen, [12] omdat ik met heel mijn hart trouw was aan God. [13] De Allerhoogste zorgde dat ik in de gunst kwam bij Enemessar en zijn vertrouwen won, zodat hij mij inkoper maakte. [14] Geregeld reisde ik naar Medië. In Rages in Medië gaf ik eens tien talenten zilver in bewaring aan Gabaël, de broer van Gabria. [15] Toen Enemessar stierf, werd hij opgevolgd door zijn zoon Sanherib. Op hem kon men niet rekenen en aan reizen naar Medië kon ik niet meer denken. [16] Onder Enemessar had ik vaak de nood van mijn volksgenoten verlicht. [17] Ik gaf brood aan de hongerigen en kleren aan de naakten; als ik het lijk van een volksgenoot buiten de muren van Nineve zag liggen, dan begroef ik het. [18] Ook degenen die koning Sennacherim na zijn vlucht uit Judea had laten doden, begroef ik in het geheim. Om zijn woede te koelen had hij immers velen ter dood gebracht. Toen de koning naar de lijken liet zoeken vond men niets. [19] Maar iemand uit Nineve bracht mij bij de koning aan, waarop ik mij verborg. Toen ik erachter kwam dat men mij wilde doden, ben ik uit angst gevlucht. [20] Al mijn bezittingen werden in beslag genomen; niets bleef me over dan mijn vrouw Anna en mijn zoon Tobias.
[21] Nog geen vijftig dagen later werd Sennacherim vermoord door twee van zijn zonen; zij vluchtten naar het Araratgebergte. Zijn zoon Sacherdon volgde hem op. Hij belastte Achiacharus, de zoon van mijn familielid Anaël, met al de financiële aangelegenheden van het koninkrijk en met het hele beheer. [22] Achiacharus achtte mij hoog, zodat ik naar Nineve kon terugkeren. Achiacharus was immers schenker, zegelbewaarder, kanselier en schatmeester, en was in deze functies door Sacherdon herbenoemd. Hij was mijn neef.
Hoofdstuk 2
De goedheid van Tobit
[1] Nadat ik mijn huis weer terug had en mijn vrouw Anna en mijn zoon Tobias aan mij waren teruggegeven, werd ter ere van mij op Pinksteren, het Wekenfeest*, een feestmaal aangericht. Toen ik aan tafel ging [2] en de vele gerechten zag, zei ik tegen mijn zoon: ‘Ga eens kijken of je ergens een arme, godvrezende volksgenoot vindt, en breng hem dan mee. Ik wacht op je.’ [3] Hij kwam terug met de boodschap: ‘Vader, op de markt ligt een van onze volksgenoten. Ze hebben hem gewurgd.’ [4] Ik liet de spijzen onaangeroerd, sprong op en droeg het lijk naar een schuurtje, waar ik het achterliet tot zonsondergang. [5] Thuisgekomen waste ik me en at in droefheid. [6] Ik moest denken aan wat de profeet Amos gezegd heeft:
‘Jullie feesten zullen in rouw veranderen
en al jullie vreugden in gejammer.’
En ik weende.
[7] Toen de zon was ondergegaan dolf ik een graf en begroef ik het lijk. [8] Mijn naasten maakten zich er vrolijk over: ‘Hij ziet er niet eens meer tegenop, zijn leven op het spel te zetten; hij heeft al eens moeten vluchten, maar hij gaat gewoon door met het begraven van doden!’
[9] Nadat ik de dode begraven had en ’s nachts thuiskwam, legde ik me, omdat ik ritueel onrein was, te ruste langs de muur van de binnenplaats, zonder mijn gezicht te bedekken. [10] Ik had niet gemerkt dat er mussen in de muur zaten. Ik had mijn ogen nog open en op een bepaald ogenblik viel er mussendrek in. Ik kreeg witte vlekken in mijn ogen. Ik ging naar artsen, maar zij hielpen mij niet. Achiacharus voorzag in mijn onderhoud totdat hij naar Elymes* vertrok. [11] Mijn vrouw Anna probeerde toen met handwerken geld te verdienen.
[12] Op zekere dag kreeg ze van de opdrachtgevers aan wie ze werk afleverde bij de betaling een bokje, als geschenk. [13] Toen ze daarmee thuiskwam begon het te mekkeren. Ik vroeg Anna: ‘Waar komt het bokje vandaan? Is het niet gestolen? Breng het terug naar de eigenaars, want het is niet geoorloofd iets te eten dat gestolen is.’ [14] Zij antwoordde: ‘Ik heb het als geschenk bij mijn loon gekregen.’ Maar ik vertrouwde haar niet en zei haar het bokje aan de eigenaars terug te geven. Ik schaamde me over haar. Maar zij antwoordde: ‘Waar blijf jij met je aalmoezen en je goede werken? Nu komt je ware aard aan het licht.’
Hoofdstuk 3
Tobit bidt om te sterven
[1] Gekwetst weende ik en ik bad verdrietig: [2] ‘U bent rechtvaardig, Heer, en al uw werken en heel uw beleid getuigen van uw barmhartigheid en trouw. Als U oordeelt bent U trouw en rechtvaardig tot in eeuwigheid. [3] Houd mij in gedachten en kijk op mij neer. Straf mij niet omwille van mijn zonden en mijn onwetendheid, en omwille van de zonden van mijn voorvaderen. [4] Zij stoorden zich niet aan uw geboden. Daarom geeft U ons prijs aan plundering, ballingschap en dood, en worden wij de spot van alle volkeren waaronder wij verspreid zijn. [5] Al uw beschikkingen zijn rechtvaardig, omdat U mij naar mijn eigen zonden en die van mijn voorvaderen behandelt. Wij hebben immers uw beschikkingen niet onderhouden en de weg van trouw niet bewandeld. [6] Daarom, doe met mij wat U goeddunkt. Neem mijn leven terug, zodat ik bevrijd word en tot aarde verga. Want de dood is me liever dan het leven, nu ik valse verwijten te horen krijg en in grote droefheid verkeer. Laat mij eindelijk, uit deze benauwenis bevrijd, naar het eeuwig verblijf* gaan. Wend uw aangezicht niet van mij af.’
De belediging van Sara
[7] Diezelfde dag werd Sara, de dochter van Raguël, die in Ekbatana in Medië woonde, beledigd door de dienstmeisjes van haar vader. [8] Zij was namelijk al aan zeven mannen ten huwelijk gegeven, maar de boze demon Asmodaüs had hen gedood nog voor ze gemeenschap met haar hadden gehad. En nu zeiden de dienstmeisjes tegen haar: ‘Bent u soms krankzinnig, dat u de mannen wurgt? Zeven hebt u er al gehad, maar geen enkele heeft u gekregen. [9] Waarom mishandelt u ons? Als zij gestorven zijn, gaat u maar naar hen toe. Zodat we nooit ofte nimmer een zoon of dochter van u te zien krijgen.’
[10] Sara was zo geschokt dat ze zich wilde ophangen. Maar toen dacht ze: ‘Ik ben het enige kind van mijn vader. Wanneer ik dat doe krijgt hij de schande en breng ik hem op zijn oude dag door verdriet in het dodenrijk.’
Sara bidt om te sterven
[11] En ze bad bij het venster: ‘U bent gezegend, Heer, mijn God, en gezegend is uw heilige en heerlijke naam voor eeuwen. Moge al uw werken U in eeuwigheid prijzen. [12] Welnu, Heer, ik richt mijn ogen en mijn gelaat naar U. [13] Haal me weg van de aarde, Heer, zodat ik geen beledigingen meer hoef te horen. [14] U weet, Heer, dat ik nooit met een man gezondigd heb, [15] en dat ik mijn naam noch die van mijn vader heb onteerd in het land waar ik als balling leef. Ik ben het enige kind van mijn vader. Hij heeft geen ander kind als erfgenaam, noch een naaste bloedverwant voor wie of voor wiens zoon ik mezelf beschikbaar zou moeten houden. Zeven zijn me er al ontvallen. Waarom nog leven? Maar als het U niet goeddunkt mij te laten sterven, kijk dan op mij neer en ontferm u over mij, zodat ik geen belediging meer hoef te horen.’
Verhoring van beide gebeden
[16] Het gebed van elk van hen werd gehoord voor de heerlijkheid van de Grote. [17] En Rafaël werd gezonden om hen beiden te genezen. Om de witte vlekken van Tobits ogen weg te nemen, en om Sara, de dochter van Raguël, aan Tobias, de zoon van Tobit, tot vrouw te geven, en om de boze demon Asmodaüs in de boeien te slaan. Want het was voor Tobias weggelegd om Sara tot vrouw te krijgen. Op hetzelfde ogenblik dat Tobit zijn huis weer binnenging, kwam Sara uit haar dakkamer naar beneden.
Hoofdstuk 4
Afscheidsrede van Tobit
[1] Op die dag herinnerde Tobit zich, dat hij aan Gabaël in Rages in Medië geld in bewaring had gegeven. [2] Hij zei tegen zichzelf: ‘Ik heb gevraagd om de dood. Waarom zou ik dus mijn zoon Tobias niet roepen om hem, voor ik sterf, op de hoogte te stellen?’ [3] Hij riep hem en begon: ‘Mijn kind, als ik gestorven ben, begraaf me dan. Minacht je moeder niet, maar houd haar in ere zolang je leeft. Wees haar behulpzaam en doe haar geen verdriet. [4] Vergeet niet, mijn kind, dat zij veel gevaar doorstond voor jou, toen ze jou in haar schoot droeg. Wanneer zij gestorven is, begraaf haar dan naast mij in hetzelfde graf. [5] Houd steeds, mijn kind, de Heer onze God in gedachten en overtreed zijn geboden niet. Beoefen de gerechtigheid heel je leven en bewandel de wegen van het onrecht niet. [6] Want als je plichtsgetrouw handelt, ligt bij alles wat je doet de weg naar het succes open, [7] zoals voor iedereen die de gerechtigheid beoefent. Geef aalmoezen van wat je bezit en als je aalmoezen geeft, doe het dan zonder jaloezie. Keer geen enkele arme de rug toe, dan zal God zijn aangezicht nooit van jou afkeren. [8] Wanneer je overvloed hebt, geef dan overvloedig aalmoezen; heb je weinig, wees dan niet bang om aalmoezen te geven. [9] Dat is de beste belegging voor de tijd van nood. [10] Want de aalmoes redt van de dood en behoedt voor de gang naar de duisternis*. [11] De allerhoogste schat, de aalmoes van alle gevers is als een aangename offergave. [12] Behoed jezelf, mijn kind, voor alle ontucht. Zorg ervoor een eerste vrouw te nemen uit de familie van je voorvaders. Neem geen vreemde vrouw, een die niet uit de stam van je vader is. Wij zijn immers afstammelingen van profeten; herinner je Noach, Abraham, Isaak en Jakob, onze voorvaderen van oudsher: zij allen namen vrouwen uit hun verwanten en zij werden gezegend in hun kinderen en hun nakomelingen zullen het land bezitten. [13] Houd dus ook van je volk, mijn kind; acht jezelf niet verheven boven je volksgenoten, boven de zonen en dochters van je volk en neem gerust een vrouw uit hun midden. Hoogmoed leidt immers tot ellende en algehele ontreddering, en nietsdoen tot gebrek en ontbering. Want het nietsdoen is de moeder van de honger.
[14] Het loon van de arbeider die voor je werkt mag je niet vasthouden tot de volgende ochtend, maar je moet het meteen uitbetalen. Want als jij God dient, zal het jou ook vergoed worden. Let op jezelf, mijn kind, bij alles wat je doet, en gedraag je als een welopgevoed man. [15] Wat jij niet wilt dat men jou aandoet, doe dat ook een ander niet aan. Bedrink je niet aan wijn en ga niet als een dronkaard door het leven. [16] Deel je brood met de hongerige en je kleren met de naakte. Besteed alles wat je overhebt zonder enige jaloezie aan aalmoezen. [17] Leg je brood* op het graf van de rechtvaardige, maar geef het niet aan de zondaars. [18] Win de raad in van wijze mensen en sla hun goede raad niet in de wind. [19] Prijs onder alle omstandigheden God de heer en vraag Hem dat je altijd de rechte weg mag bewandelen en dat alles wat je onderneemt tot een goed einde komt. Want geen enkel volk heeft iets te beschikken, maar Hij, de Heer, geeft alle goeds aan wie Hij wil, en wie Hij wil vernedert Hij, al naar het Hem goeddunkt. Houd daarom, mijn kind, mijn vermaningen in gedachten en prent ze onuitwisbaar in je hart.
[20] Nu heb ik je nog iets te zeggen. Ik heb aan Gabaël, de broer van Gabria, die in Rages in Medië woont, tien talenten zilver in bewaring gegeven. [21] Maak je niet bezorgd, mijn kind, over de armoede waarin we vervallen zijn: je bezit een groot vermogen, als je God vreest en je verre houdt van alle zonde, en doet wat Hem aanstaat.’
Hoofdstuk 5
Gesprek tussen Tobias en Tobit
[1] Tobias antwoordde daarop: ‘Vader, ik zal al uw raadgevingen ter harte nemen. [2] Maar hoe kan ik dat geld krijgen, aangezien ik die persoon niet ken?’ [3] Tobit gaf hem toen het ontvangstbewijs en zei tegen hem: ‘Zoek een reisgezel. Ik zal hem zijn loon geven, als ik zolang nog leef. Ga nu op weg en haal het geld.’ [4] Tobias ging iemand zoeken en hij vond Rafaël; dit was een engel*, maar Tobias wist dat niet. [5] Hij vroeg hem: ‘Zou u met mij naar Rages in Medië kunnen reizen? Bent u in die streken bekend?’ [6] Waarop de engel antwoordde: ‘Ja, ik ken de weg en ik heb er eens overnacht bij onze landgenoot Gabaël.’ [7] Hierop zei Tobias: ‘Blijf op me wachten, dan ga ik het mijn vader vertellen.’ [8] De engel antwoordde: ‘Doe dat, maar maak het niet te lang.’ [9] Zo kwam Tobias bij zijn vader met de boodschap: ‘Ik heb iemand gevonden die met me mee wil reizen.’ Tobit zei: ‘Vraag hem bij me te komen; ik wil weten uit welke stam hij komt, en of het iemand is met wie je gerust op reis kunt gaan.’ [10] Tobias ging hem halen. Rafaël kwam binnen en zij begroetten elkaar. [11] Tobit vroeg: ‘Broeder, vertel mij, van welke stam bent u en uit welke familie?’ [12] Maar Rafaël antwoordde: ‘Gaat het u om dingen als stam en familie, of om iemand die u wilt huren om uw zoon op zijn reis te vergezellen?’ Daarop zei Tobit: ‘Ik zou toch graag weten, broeder, tot welke familie u behoort en hoe u heet.’ [13] Hij antwoordde: ‘Ik ben Azarias, de zoon van de grote Ananias, een volksgenoot.’ [14] Daarop zei Tobit tegen hem: ‘Wees welkom, broeder. Neem me niet kwalijk dat ik gevraagd heb naar uw stam en familie. U bent dus een volksgenoot van me, uit een aanzienlijke en voorname familie. Want Ananias en Jatan, de zonen van de grote Simi, heb ik goed gekend toen we nog samen op bedevaart gingen naar Jeruzalem met de eerstelingen en tienden van de oogst. Zij zijn de dwaalwegen van ons volk niet gegaan. U bent van edele afkomst, broeder. [15] Maar vertel mij, hoeveel loon moet ik u geven? Een drachme per dag naast de kosten van levensonderhoud voor u en mijn zoon? [16] Als jullie gezond en wel terug zijn, geef ik u nog een toelage op uw loon.’ [17] Aldus werd overeengekomen.
[17] Vervolgens zei hij tegen Tobias: ‘Bereid je voor op de tocht. Ik hoop dat jullie een voorspoedige reis zullen hebben.’ Toen zijn zoon zich voor de reis gereed maakte, zei zijn vader: ‘Ga nu met die persoon op reis. Dat God, die in de hemel woont, jullie langs de goede weg geleide en moge zijn engel jullie vergezellen.’ En beiden gingen op weg. De hond van Tobias ging met hen mee.
Gesprek tussen Tobit en Anna
[18] Maar Anna, zijn moeder, weende en zei tegen Tobit: ‘Waarom heb je ons kind op reis gestuurd? Was hij niet onze steun, zolang hij hier bij ons leefde? [19] Geld is ook maar geld. Vergeleken bij ons kind mag het niet meer zijn dan slijk. [20] Wat de Heer ons gegeven heeft om van te leven, dat is genoeg voor ons.’ [21] Tobit antwoordde haar: ‘Maak je toch geen zorgen, mijn zuster. Hij zal gezond en wel terugkomen en jouw ogen zullen hem weer zien. [22] Een goede engel trekt immers met hem mee; zijn reis zal voorspoedig zijn en behouden keert hij terug.’ [23] En zij hield op met wenen.
Hoofdstuk 6
Gebeurtenissen onderweg
[1] Op hun reis hadden Tobias en Rafaël tegen de avond de rivier de Tigris bereikt. Ze wilden daar overnachten. [2] De jongen liep de rivier in om zich te baden, toen er opeens een vis uit het water opdook en hem dreigde te verslinden. [3] Maar de engel riep hem toe: ‘Grijp hem!’, waarop de jongen de vis greep en op het droge wierp. [4] De engel vervolgde: ‘Snijd de vis open, haal het hart, de lever en de gal eruit en berg die goed op.’ [5] En de jongen deed wat de engel hem zei. Daarna bakten ze de vis en aten hem op.
[6] Samen vervolgden zij hun reis naar Ekbatana. [7] Onderweg vroeg de jongen aan de engel: ‘Broeder Azarias, waarvoor dienen de lever, het hart en de gal van de vis?’ [8] Hij antwoordde: ‘Als iemand geplaagd wordt door een demon of boze geest, moet je het hart en de lever verbranden voor deze man of deze vrouw en dan kan deze geen macht meer uitoefenen. [9] En de gal moet je gebruiken als zalf voor een persoon die witte vlekken op zijn ogen heeft; dan zal hij genezen.’
[10] Toen ze Rages naderden, [11] zei de engel tegen de jongen: ‘Broeder, vandaag zullen we te gast zijn bij Raguël. Hij is familie van jou. Hij heeft maar één kind, een dochter, die Sara heet. [12] Ik zal Raguël voorstellen om haar aan jou tot vrouw te geven. Aangezien jij haar enige bloedverwant bent, komt het jou toe haar tot vrouw te krijgen. Het is een mooi en verstandig meisje. [13] Luister goed: ik praat dus met haar vader. En voordat we uit Rages vertrekken vieren we de bruiloft. Want ik ben er zeker van dat Raguël, getrouw aan de Wet van Mozes, zijn dochter nooit aan een andere man ten huwelijk zal geven: het zou hem zijn leven kosten. Eerder dan wie ook kom jij in aanmerking om haar tot vrouw te nemen.’
[14] Daarop zei de jongen tegen de engel: ‘Broeder Azarias, ik heb gehoord dat het meisje aan zeven mannen is gegeven en dat die allemaal in het bruidsvertrek zijn omgekomen. [15] Ik ben het enige kind van mijn vader en ik ben bang dat ik, als ik het bruidsvertrek binnenga, mijn voorgangers in de dood zal volgen. Want een demon is verliefd op haar en die doet niemand kwaad, behalve degene die haar wil naderen. Ik ben dus bang dat het mijn leven kost en dat ik zo mijn vader en moeder van verdriet om mij in het graf breng. En zij hebben geen andere zoon om hen te begraven.’
[16] Maar de engel zei: ‘Herinner je je niet, dat je vader je de raad heeft gegeven een vrouw te nemen uit je eigen volk? Luister naar me, broeder: zij zal jouw bruid worden. En maak je over die demon geen zorgen: vanavond zal zij aan jou ten huwelijk worden gegeven. [17] Als je het bruidsvertrek binnengaat, pak dan de wierookschaal en leg een stukje van het hart en de lever van de vis op de gloeiende as. Als de demon de rook ruikt slaat hij op de vlucht, om nooit meer terug te komen. [18] Maar wanneer je dan naar haar toe wilt gaan, sta dan samen eerst recht om de genadige God aan te roepen. Hij zal jullie in bescherming nemen en zich over jullie ontfermen. Wees niet bang, want zij is voor jou bestemd vanaf de eeuwigheid. Jij zult haar redden. Met jou zal ze meegaan en ik neem aan, dat je kinderen van haar zult krijgen.’
[19] Bij het horen van deze woorden hield Tobias van Sara en voelde hij zich innig met haar verbonden.
Hoofdstuk 7
Ontvangst en huwelijkssluiting
[1] Ze kwamen in Ekbatana aan en gingen naar de woning van Raguël. Sara kwam hun tegemoet. Nadat ze elkaar hadden begroet, nodigde zij hen uit om binnen te komen. [2] Raguël zei tegen zijn vrouw Edna: ‘Wat lijkt die jongeman toch op mijn neef Tobit!’ [3] Daarom vroeg hij hun: ‘Waar komen jullie vandaan, broeders?’ Ze zeiden: ‘Wij zijn van de stam Naftali en leven in ballingschap in Nineve.’
[4] ‘Kennen jullie dan onze bloedverwant Tobit?’ Zij antwoordden: ‘Jazeker.’
[5] ‘Maakt hij het goed?’ Zij antwoordden: ‘Hij is nog in leven en maakt het goed.’ Tobias voegde eraan toe: ‘Hij is mijn vader.’ [6] Toen sprong Raguël op, liefkoosde hem, weende en prees hem gelukkig: ‘Dan ben je de zoon van een nobel en voortreffelijk man.’ Maar toen hij hoorde dat Tobit blind geworden was, werd hij bedroefd en weende. [7] Ook zijn vrouw Edna en zijn dochter Sara weenden. Tobias en Rafaël werden met grote hartelijkheid in huis genomen. [8] Men slachtte een schaap en zette hun een welvoorziene tafel voor. [9] Tobias zei tegen Rafaël: ‘Broeder Azarias, spreek waarover je onderweg sprak. De zaak moet voltooid worden.’ [10] Rafaël deelde Raguël mee wat ze besproken hadden. Daarop richtte deze zich tot Tobias met de woorden: ‘Eet en drink en laat het je goed smaken. Het komt jou immers toe om mijn kind tot vrouw te krijgen. Maar ik moet je wel de waarheid vertellen. [11] Ik heb mijn kind al aan zeven mannen gegeven. Maar in de nacht dat ze naar haar toe wilden gaan, zijn ze om het leven gekomen. Maar kom, doe je nu tegoed.’ [12] Maar Tobias antwoordde: ‘Ik zal hier niets meer van gebruiken voordat de zaak besloten is.’
[12] Daarop zei Raguël: ‘Neem haar dan nu tot vrouw, overeenkomstig de gebruiken. Jij bent aan haar verwant, zij behoort aan jou. Moge de barmhartige God jullie een mooie toekomst geven.’ [13] Toen riep hij zijn dochter Sara, nam haar bij de hand en gaf haar aan Tobias tot vrouw, met de woorden: ‘Hier is mijn dochter, neem haar volgens de Wet van Mozes tot vrouw en ga met haar naar je vader.’ En hij zegende hen. [14] En nadat hij ook zijn vrouw Edna erbij geroepen had, nam hij een blad papier en maakte de huwelijksovereenkomst op, die zij met hun zegel bekrachtigden. Toen begonnen ze aan de maaltijd. [15] Daarna riep Raguël zijn vrouw Edna en zei tegen haar: ‘Zuster, maak de andere kamer gereed en breng Sara daar binnen.’ [16] Ze deed wat hij gevraagd had. Toen ze Sara in de kamer bracht begon het meisje te wenen, maar Edna droogde de tranen van haar dochter en zei: [17] ‘Wees flink, mijn kind. De Heer van hemel en aarde zal je in plaats van al je verdriet zijn genade tonen. Wees flink, mijn dochter.’
Hoofdstuk 8
Het verdrijven van de boze geest
[1] Na de maaltijd brachten ze Tobias naar Sara. [2] Bij het binnengaan dacht Tobias aan wat Rafaël gezegd had. Hij pakte de wierookschaal en legde het hart van de vis en de lever op de gloeiende as en er ontstond rook. [3] Toen de demon de rook bemerkte, nam hij de wijk naar Opper-Egypte, waar de engel hem in de boeien sloeg.
Het gebed van Tobias
[4] Toen ze samen lagen kwam Tobias van het bed overeind en zei: ‘Sta op, zuster, laten we bidden dat de Heer zich over ons ontfermt.’ [5] En Tobias zei: ‘U bent gezegend, God van onze vaderen, en gezegend is uw heilige en heerlijke naam door de eeuwen heen. Mogen de hemelen en alle schepselen U prijzen. [6] U hebt Adam gemaakt, en hem Eva, zijn vrouw, tot hulp en steun gegeven. Uit hen is de mensheid voortgekomen. U hebt gezegd: “Het is niet goed dat de mens alleen is; laten we een hulp voor hem maken die is zoals hij.” [7] Welnu, Heer, als ik mijn zuster hier tot me neem, ga ik geen ongeoorloofde verbinding aan, maar ben ik trouw aan uw Wet. Toon mij uw barmhartigheid en laat mij aan haar zijde oud worden.’ [8] En Sara zei: ‘Amen.’ [9] Daarop brachten zij samen de nacht door.
Raguël delft een graf
[10] Maar ’s nachts stond Raguël op en ging een graf delven. Hij zei: ‘Misschien is ook deze gestorven.’ [11] Weer in huis gekomen, [12] zei Raguël tegen zijn vrouw Edna: ‘Laat een van de dienstmeisjes eens gaan kijken of hij nog leeft. Zo niet, dan kunnen we hem begraven zonder dat iemand het merkt.’
Het gebed van Raguël
[13] Het dienstmeisje opende de deur, ging naar binnen en vond ze beiden slapend. [14] Zij ging weer naar buiten en meldde dat hij leefde. [15] Daarop loofde Raguël God: ‘Wees gezegend, God, met de zuiverste en heiligste zegeningen. Mogen uw heiligen* en al uw schepselen U loven en al uw engelen en uitverkorenen U zegenen, alle eeuwen door. [16] U bent gezegend, omdat U mij verblijd hebt: mij is niet overkomen wat ik dacht, maar U hebt ons behandeld vanuit uw grote medelijden. [17] U bent gezegend, dat U zich ontfermd hebt over twee eniggeborenen. Toon hun uw barmhartigheid, Heer. Laat hun leven verlopen in gezondheid, vreugde en welzijn.’
Bruiloft en belofte van Raguël
[18] Daarna droeg hij zijn huisgenoten op om de grafkuil dicht te gooien. [19] Vervolgens richtte hij voor het paar een bruiloft aan van veertien dagen lang. [20] Voordat de bruiloftsdagen voorbij waren, bezwoer Raguël Tobias om pas te vertrekken als de veertien bruiloftsdagen verstreken waren. [21] Dan zou hij de helft van zijn vermogen ontvangen en gezond en wel naar zijn vader kunnen terugkeren. ‘De rest’, zei hij, ‘krijg je als ik en mijn vrouw gestorven zijn.’
Hoofdstuk 9
Het geld uit Rages
[1] Tobias riep Rafaël en zei tegen hem: [2] ‘Broeder Azarias, ga met een dienaar en twee kamelen op weg naar Rages in Medië, naar Gabaël, haal het geld en nodig hem uit op de bruiloft. [3] Want Raguël heeft mij bezworen niet weg te gaan [4] en mijn vader telt de dagen; hoe langer ik wegblijf, des te zwaarder valt het hem.’ [5] Rafaël ging op weg en overnachtte bij Gabaël. Hij overhandigde hem het ontvangstbewijs, waarop Gabaël de verzegelde zakjes haalde en ze aan Rafaël overhandigde. [6] Voor dag en dauw stonden ze samen op en gingen naar de bruiloft. En Gabaël sprak een zegenwens uit over Tobias en zijn vrouw.
Hoofdstuk 10
Ongerustheid van de ouders
[1] Ondertussen telde zijn vader Tobit de dagen. En toen de tijd dat de reis zou duren verstreken was, en zij maar niet terugkwamen, [2] dacht hij: ‘Als ze maar niet in moeilijkheden geraakt zijn! Wie weet is Gabaël gestorven en is er niemand om het geld aan mijn zoon te overhandigen.’ [3] Hij maakte zich erg ongerust. [4] Zijn vrouw zei tegen hem: ‘Het kind is zeker verongelukt, dat hij zo lang wegblijft.’ En ze begon over hem te treuren: [5] ‘Hoe heb ik het over mijn hart kunnen krijgen, mijn kind, om jou te laten gaan, jij bent het licht van mijn ogen!’ [6] Tobit sprak tot haar: ‘Wees nu maar stil, maak je geen zorgen, hij maakt het goed.’ [7] Maar zij antwoordde: ‘Zwijg toch, je hoeft me niets wijs te maken. Mijn kind is verongelukt.’ En iedere dag liep ze de stad uit, naar de weg waarlangs hij vertrokken was. Overdag at ze niet en ’s nachts hield ze niet op met treuren over haar zoon Tobias.
Vertrek van Tobias
[7] Ondertussen verliepen de veertien dagen van de bruiloft, die Tobias op aandringen van Raguël daar doorbracht.
[8] Daarna zei Tobias tegen Raguël: ‘Laat me vertrekken, ik vrees immers dat mijn vader en moeder de hoop hebben opgegeven om mij terug te zien.’ [9] Maar zijn schoonvader antwoordde: ‘Blijf nog bij me. Ik zal je vader laten weten hoe je het maakt.’ Tobias echter hield aan: ‘Laat me toch naar mijn vader teruggaan.’ [10] Toen stond Raguël op en gaf hem met Sara, zijn vrouw, de helft van zijn bezit mee: dienaren, vee en geld. [11] Bij het afscheid sprak hij de zegenwens: ‘Moge de God van de hemel jullie voorspoed schenken, kinderen, zodat ik zonder zorg kan sterven.’ [12] Tegen zijn dochter zei hij: ‘Eer je schoonouders. Voortaan zijn zij jouw ouders. Ik hoop goed nieuws van je te horen.’ En hij kuste haar. [13] Daarop sprak Edna tot Tobias: ‘Lieve neef, moge de Heer van de hemelen je veilig naar huis geleiden en moge Hij mij de kinderen van jou en van mijn dochter Sara laten aanschouwen. Dan zal ik me verheugen in de Heer. Ik vertrouw je mijn dochter toe; doe haar geen verdriet.’
[14] Toen vertrok Tobias, terwijl hij God prees, die zijn tocht had laten slagen, en hij Raguël en zijn vrouw alle goeds toewenste.
Hoofdstuk 11
De genezing van Tobit
[1] Toen zij Nineve naderden, zei Rafaël tegen Tobias: [2] ‘Je weet in welke toestand je vader zich bevond toen wij vertrokken. [3] Laten wij vooruit reizen en thuis alles in orde maken voordat je vrouw aankomt. [4] Zorg dat je de gal van de vis bij de hand hebt.’ Ze reisden dus door, gevolgd door de hond.
[5] Intussen zat Anna langs de weg uit te kijken naar haar kind. [6] Op een gegeven ogenblik zag zij hem aankomen en ze meldde zijn vader: ‘Daar komt je zoon aan en ook de man die met hem meegegaan is.’
[7] Rafaël zei tegen Tobias: ‘Ik ben er zeker van dat je vader zijn zicht weer terugkrijgt. [8] Strijk de gal op zijn ogen. Zodra ze gaan steken, moet hij in zijn ogen wrijven tot de witte vlekken verdwenen zijn en dan zal hij jou zien.’
[9] Anna was inmiddels toegesneld; ze viel haar zoon om de hals en riep uit: ‘Ik zie je, mijn kind! Nu kan ik sterven.’ En beiden weenden.
[10] Tobit ging naar de deur en viel. Zijn zoon liep naar hem toe, [11] ving zijn vader op, streek de gal op zijn ogen en zei: ‘Moed houden, vader.’ [12] Zodra zijn ogen begonnen te steken wreef Tobit ze uit en als vliesjes vielen de witte vlekken uit de ooghoeken. [13] En zodra hij zijn zoon zag, viel hij hem om de hals en zei wenend: [14] ‘U bent gezegend, God, en gezegend is uw heilige naam tot in eeuwigheid en gezegend zijn al uw heilige engelen. U hebt me beproefd, maar U schenkt me weer genade, nu ik mijn zoon Tobias zie.’
[15] Opgetogen ging zijn zoon naar binnen en hij vertelde zijn vader van al het wonderbaarlijke dat hem in Medië was overkomen. [16] Daarop ging Tobit jubelend en God prijzend naar buiten, naar de poort van Nineve, om de bruid van zijn zoon te begroeten. Iedereen die hem zag lopen verbaasde zich erover dat hij kon zien. En Tobit verklaarde dat hij dat dankte aan Gods genade.
[17] Toen Tobit bij zijn schoondochter Sara gekomen was, begroette hij haar en zei: ‘Wees welkom, dochter. Gezegend is God, die jou naar ons toe heeft gebracht en gezegend zijn je vader en moeder.’
[18] En al de volksgenoten van Tobit in Nineve deelden in de vreugde. [19] Achiacharus en zijn neef Nasbas kwamen ook en zeven dagen lang vierde men in blijdschap het huwelijk van Tobias.
Hoofdstuk 12
Rafaël vertelt wie hij is
[1] Tobit riep zijn zoon Tobias en zei tegen hem: ‘Zorg voor de uitbetaling van je reisgenoot. En je moet hem nog iets extra’s geven.’ [2] ‘Vader,’ antwoordde Tobias, ‘ik zou het niet onredelijk vinden hem zelfs de helft van wat ik heb meegebracht te geven. [3] Hij heeft mij immers veilig bij u teruggebracht, mijn vrouw genezen, het geld voor mij gehaald en u eveneens genezen.’ [4] De oude man antwoordde: ‘Daar heeft hij recht op.’ [5] Daarna riep hij de engel en zei tegen hem: ‘Neem de helft van alles wat jullie hebben meegebracht.’ [6] Toen nam de engel hen beiden terzijde en zei: ‘Loof God en dank Hem, eer Hem en laat alles wat leeft jullie dankbaarheid horen voor hetgeen Hij voor jullie gedaan heeft. Het is goed om God te loven en zijn naam te verheerlijken door vol ontzag melding te maken van zijn werken. Aarzel niet Hem jullie erkentelijkheid te betuigen. [7] Geheimen van de koning moet men bewaren, maar de daden van God dienen openlijk geroemd te worden. Doe het goede, dan zal geen kwaad jullie treffen. [8] Bidden is iets goeds als het gepaard gaat met vasten, liefdadigheid en rechtvaardigheid. Beter weinig te bezitten in eerlijkheid dan veel in oneerlijkheid. Het is beter aalmoezen te geven dan goud op te hopen. [9] Want de aalmoes redt van de dood en reinigt van alle zonde. Wie liefdadigheid en rechtvaardigheid beoefent zal het leven bezitten in overvloed. [10] Maar de zondaars doen hun eigen leven te kort. [11] Ik wil niets voor jullie verbergen. Ik heb al gezegd, dat men geheimen van de koning moet bewaren, maar dat Gods werken openlijk geroemd dienen te worden. [12] Nu dan: toen jullie aan het bidden waren, u en Sara, heb ik jullie gebed onder de aandacht van de Heilige gebracht. Ik was het ook die, toen u de doden begroef, dichtbij u was. [13] Ook toen u zonder dralen opstond en uw maaltijd liet staan om een dode te begraven, is die goede daad me niet ontgaan, maar was ik bij u. [14] En daarom heeft God me gezonden om u te genezen, evenals uw schoondochter Sara. [15] Ik ben Rafaël, één van de zeven heilige engelen die de gebeden van de heiligen opdragen en toegang hebben tot voor de heerlijke troon van de Heilige.’
[16] Tobit en Tobias waren hevig geschrokken en vol vrees wierpen zij zich op de grond. [17] Maar hij zei tegen hen: ‘Vrees niet, vrede is jullie toebedeeld. Loof dus God in eeuwigheid. [18] Want dat ik gekomen ben is geen gunst van mij geweest, maar het was de wil van God. Loof Hem daarom in eeuwigheid. [19] Al die tijd dat ik voor jullie zichtbaar was, at en dronk ik niet; het was slechts schijn wat jullie zagen. [20] Welnu, loof God, want ik stijg op naar Hem die mij gezonden heeft. Stel alles wat is voorgevallen te boek.’
[21] Toen zij zich weer oprichtten, zagen ze hem niet meer. [22] Zij loofden de grote en wonderbare werken van God, van wie de engel hun verschenen was.
| Hoofdstuk 13 |
| |
| Danklied van Tobit |
| |
[1]
|
En Tobit schreef het volgende danklied*:
|
| |
| |
[2]
|
Gezegend is God, die leeft door de eeuwen heen, en gezegend is zijn koninkrijk,
want Hij beproeft en toont erbarmen,
Hij voert naar het dodenrijk en haalt er weer uit.
Niemand ontkomt aan zijn hand.
|
| |
[3]
|
Dank Hem, Israëlieten, in het aangezicht van de volken,
want Hij heeft ons onder hen verspreid.
|
| |
[4]
|
Verkondig onder hen zijn grootheid,
laat al wat leeft uw loflied horen.
Want Hij is onze Heer en God,
onze Vader in alle eeuwigheid.
|
| |
[5]
|
Hij beproeft ons vanwege onze ongerechtigheden,
maar Hij zal zich weer over ons erbarmen
en ons verzamelen uit alle volken,
waaronder u verspreid bent.
|
| |
[6]
|
Als u zich tot Hem bekeert, van ganser harte,
en met volle overgave en in oprechtheid voor Hem handelt,
dan zal Hij zich naar u keren
en zijn gelaat niet voor u verbergen.
|
| |
[7]
|
Geef acht op hetgeen Hij met u doet.
En prijs Hem met luide stem.
Loof de Heer van de gerechtigheid
en verhef de koning der eeuwen.
|
| |
[8]
|
In het land waar ik als balling leef, prijs ik Hem,
verkondig ik zijn kracht en grootheid aan een volk van zondaars.
Bekeer u, zondaars, doe wat recht is in zijn ogen.
Wie weet, vindt Hij genoegen in u en betoont Hij u zijn erbarmen.
|
| |
[9]
|
Mijn God verhef ik,
mijn ziel verheft de koning van de hemelen
en jubelt om zijn grootheid.
|
| |
[10]
|
Mogen allen vol dankbaarheid in Jeruzalem zeggen:
Jeruzalem, heilige stad,
God beproeft u om wat uw kinderen hebben gedaan,
maar zal zich weer ontfermen over de zonen van de rechtvaardigen.
|
| |
[11]
|
Dank de Heer op waardige wijze,
zegen de koning der eeuwen,
opdat u met vreugde zijn tent ziet herrijzen,
|
| |
[12]
|
en Hij in u de ballingen verblijdt en de ongelukkigen zijn liefde toont,
van generatie op generatie,
in eeuwigheid.
|
| |
[13]
|
Vele volken zullen van verre komen om de naam van God de Heer te eren.
Met geschenken beladen, geschenken voor de koning van de hemelen;
generatie op generatie zal u uitbundige vreugde verschaffen.
|
| |
[14]
|
Vervloek iedereen die u haat,
in eeuwigheid is iedereen die u liefheeft gezegend.
|
| |
[15]
|
Verheug u en jubel over de zonen van de rechtvaardigen,
want zij zullen verzameld worden en de Heer van de rechtvaardigen loven,
de gelukkigen die u liefhebben.
Zij zullen zich over uw voorspoed verheugen.
|
| |
[16]
|
Zalig zijn zij die hebben getreurd over al de beproevingen,
want zij zullen zich over u verblijden, als ze al uw glorie aanschouwen
en verheugen zullen ze zich in eeuwigheid.
Mijn ziel, loof God, de grote koning,
|
| |
[17]
|
want Jeruzalem zal worden herbouwd met saffier en smaragd;
uw muren met edelstenen;
torens en kantelen met zuiver goud.
Jeruzalems pleinen zullen met mozaïeken van beryl, karbonkel en
Ofir-gesteente worden ingelegd.
|
| |
[18]
|
In al zijn straten klinkt het:
Alleluja,
en zingt men de lofzang:
Geloofd is God die u groot gemaakt heeft, voor eeuwig. |
Hoofdstuk 14
De laatste toespraak van Tobit
[1] Daarmee eindigde Tobit zijn lofzang. [2] Hij was achtenvijftig jaar toen hij blind werd; acht jaar later kon hij weer zien. Hij gaf aalmoezen en bleef God de Heer vrezen en loven. [3] Toen hij zeer oud geworden was, riep hij zijn zoon en zijn zonen en zei tegen hem: ‘Mijn kind, je ziet dat ik oud ben en op het punt sta te sterven. Neem je zonen en [4] vertrek naar Medië, mijn kind, want ik geloof in hetgeen de profeet Jona over Nineve gezegd heeft: het zal verwoest worden, maar in Medië zal het voorlopig rustig zijn. Bovendien zullen onze volksgenoten in Juda worden verspreid vanuit dat mooie land; Jeruzalem zal worden ontvolkt en het huis van God zal worden verwoest en een tijdlang verlaten blijven liggen. [5] Maar God zal zich weer over de ballingen ontfermen en hen naar het land terugbrengen; dan zullen zij de tempel, al is het in een andere vorm, herbouwen, en die zal blijven bestaan totdat de tijden van de wereld vervuld zijn. Daarna zullen ze uit de ballingschap terugkeren en Jeruzalem waardig herbouwen en het huis van God aldaar zal in volle glans worden opgericht voor alle generaties, tot in eeuwigheid, zoals de profeten voorspeld hebben. [6] En alle volken zullen zich bekeren om in waarheid God de Heer te vrezen en zij zullen hun afgoden begraven en alle volken zullen de Heer loven. [7] Ook door zijn eigen volk zal God geprezen worden en de Heer zal zijn volk verheffen en iedereen die door trouw en rechtvaardigheid zijn liefde voor God de Heer toont, zal zich verheugen. [8] Welnu dan, kind, vertrek uit Nineve, want alles wat de profeet Jona gezegd heeft zal zeker gebeuren. [9] Onderhoud de leer en de geboden, beoefen de liefdadigheid en wees rechtvaardig, opdat het je goed zal gaan. Zorg dat ik waardig begraven word en leg je moeder aan mijn zijde; blijf daarna niet langer in Nineve. [10] Kind, denk aan wat Aman zijn voogd Achiacharus aandeed: hoe hij hem van het licht in de duisternis bracht en hoe hij het hem vergolden heeft. Achiacharus werd gered, maar die ander kreeg zijn verdiende loon en daalde af in de duisternis. Ook Manasse, die aalmoezen gaf, werd gered uit de dodelijke strik die Aman voor hem gespannen had. Maar Aman kwam in de strik en vond zo zijn einde. [11] Zie dus, kinderen, wat je met aalmoezen kunt bereiken en hoe gerechtigheid redding brengt.’
[11] Na deze woorden gaf hij, liggend op zijn bed, de geest. Hij was honderdachtenvijftig jaar oud. Tobias bezorgde hem een eervolle begrafenis.
[12] Toen Anna gestorven was, begroef Tobias haar naast zijn vader. Daarna vertrok hij met zijn vrouw en zijn zonen naar Ekbatana, naar zijn schoonvader Raguël. [13] Hij bereikte een eerbiedwaardige ouderdom. Zijn schoonouders begroef hij met alle eerbetoon en hij erfde hun bezit, zoals hij ook dat van zijn vader Tobit gekregen had. [14] Hij stierf op de leeftijd van honderdzevenentwintig jaar in Ekbatana in Medië. [15] Nog voor zijn dood vernam hij dat Nineve was gevallen en dat de inwoners door Nebukadnessar en Ahasveros in ballingschap waren weggevoerd. En voor zijn dood verheugde hij zich over Nineve.
|